Na het junglegehuppel in Rurre, scheidden de wegen van onze groep belgen. De mijne ging richting Potosí, Uyuni en tenslotte over Sucre Bolivia uit.
Potosí: ooit een van de rijkste steden ter wereld, nu slechts nog een der hoogste steden ter wereld, op 4090 meter boven de zeespiegel. Ik bots op een groep fransen en argentijnen, en samen kruipen we door de zilvermijnen van de Cerro Rico, gewapend met zakkenvol cocabladeren, flesjes zuivere alcohol (para tomar, sí!) en dynamietstaven. Niet voor ons, maar voor de mijnwerkers, die hun dagen op handen en knieën doorbrengen in de vochtige donkerte van de ongestutte mijnen, meer stof dan zuurstof inademen, vaak de vijftig niet halen (sterven aan silicose) en gebukt gaan onder meer dan veertig kilo aan stenen. Dat zoiets nog bestaat.
De tweede dag werd ik wakker met allicht het beste ontbijt van Zuid Amerika, samengeraapt op straat in de kraampjes achter de markt: versgeperst fruitsap, 2 salteñas met verse groenten en een ijskoude batido de banana. Alles tesamen voor minder dan 1 Euro. Snel nog het museum 'Casa de la moneda' binnengewipt, en dan - terug op kracht, maar nog steeds onder indruk van de mijnen - de bus op richting Uyuni.
Uyuni: allicht zeggen foto´s meer, en ik heb er zelf ook niet echt woorden voor. Vast staat dat ik een wereldwonder kan aanvinken, dat ik de meest onwaarschijnlijk prachtige sterrenhemel in 23 jaar heb gezien, dat een zonsopgang door de stoom van een geiser er helemaal anders uitziet, dat bergmeren niet altijd blauw hoeven te zijn (en flamingo's niet altijd roos) en dat teveel zout niet noodzakelijk slecht is. Oja, de tweede serie foto's is van de hand van de Boliviaanse Tatiana, mijn camera liet het na dag twee jammer genoeg afweten. Aanschouw:
pakt is wa zout mee naar belgie want het heeft hier vandaag gesneeuwd en er is hier nooit genoeg zout! und auch ein bisschen pepper!
BeantwoordenVerwijderen